In dit klassieke werk over kolonialisme ontleedt de Frans-Tunesische schrijver Albert Memmi de materiële drijfveren en de psychologische effecten van kolonisatie. Hij analyseert hoe het koloniale systeem twee tragische figuren met een gedeeld lot creëert: de kolonisator en de gekoloniseerde.
Twee portretten
Aanvankelijk schreef Memmi de portretten van deze figuren om zijn eigen situatie als gekoloniseerde Tunesiër beter te begrijpen, maar uiteindelijk moest hij een bredere conclusie trekken: de enige manier om de dodendans tussen de kolonisator en de gekoloniseerde een halt toe te roepen was nationale onafhankelijkheid. In 1957 werden de twee portretten gebundeld in een boek dat meteen in uiteenlopende kringen weerklank vond.
Voor- en nawoord
Jean-Paul Sartre schreef het voorwoord voor de publicatie uit 1957. Vertaler Esha Guy Hadjadj heeft voor de Nederlandse uitgave een nawoord geschreven, waarin hij laat zien waarom deze ‘profeet van de dekolonisatie’ altijd een buitenstaander is gebleven.
Over de auteur
Albert Memmi (1920-2020) werd geboren in Tunis. Hij studeerde filosofie in Algiers en Parijs. In 1951 keerde hij terug naar Tunis, waar hij tijdens de beslissende jaren vóór de onafhankelijkheid van Tunesië in 1956, de twee portretten schreef. Lees meer

